Je bent klaar om te bevallen als je volledige ontsluiting hebt, het hoofdje van je baby goed is ingedaald en je persgevoel krijgt. 

  • We installeren je op de verlostafel en verwittigen de gynaecoloog.
  • De vroedvrouw en gynaecoloog zeggen je hoe en wanneer te persen. Hoe lang je moet persen is individueel erg verschillend. Bij een eerste kindje mag je gemiddeld op een uur rekenen, bij de volgende kindjes gaat het gewoonlijk sneller.
  • Soms krijg je een knip om de bevalling vlotter te laten verlopen. Soms is er een scheurtje. Dat wordt gehecht door de arts en geneest meestal heel vlot. 
  • Als de bevallig te lang duurt, gebruikt de arts soms een zuiger (een ‘kiwi’).
  • Binnen het uur na de geboorte van je kindje wordt de moederkoek of placenta geboren (de nageboorte). Dat gaat gepaard met een of meerdere weeën en wat bloedverlies.

Je kan kiezen voor een onderwaterbevalling. Die keuze bespreek je op voorhand met de gynaecoloog tijdens de consultatie.